IDESETAUTRES.be

Grammatica

Les temps primitifs par écrit

temps primitifs   prétérit prétérit   participe passé  
infinitif FR infinitif NL exemples FR ik/je/hij/ze/u we/jullie/ze   auxiliaire
1) VARIA
1 a ETRE zijn j'étais, je fus  was waREN geweest ZIJN 1 a
           
2) A (VARIA)          
2 a CUIRE bakken je cuisais, cuisis bakte bakteN gebakken hebben + zijn 2 a
2 b RIRE lachen je riais, je ris lachte lachteN gelachen hebben 2 b
2 c CHARGER laden je chargeai(s) laadde laaddeN geladen hebben 2 c
2 d MOUDRE malen je moulai(s) maalde maaldeN gemalen hebben 2 d
2 e DEVINER raden je devinai(s) raadde raaddeN geraden hebben 2 e
2 f TENDRE  spannen je tendais, tendis spande spandeN gespannen hebben 2 f
2 g LAVER wassen je lavai(s) waste wasteN gewassen hebben 2 g
           
3) A - IE - A          
3 a SOUFFLER blazen je soufflai(s) blies blieZEN geblazen hebben 3 a
3 b LAISSER laten je laissai(s) liet lietEN gelaten hebben 3 b
3 c DORMIR slapen je dormais, dormis sliep sliepEN geslapen hebben 3 c
3 d TOMBER vallen je tombai(s) viel vielEN gevallen ZIJN 3 d
           
4) A - OE - A          
4 a PORTER dragen je portai(s) droeg droegEN gedragen hebben 4 a
4 b NAVIGUER varen je naviguai(s) voer voerEN gevaren hebben + zijn 4 b
           
5) A - OE - AA          
5 a CHASSER jagen je chassai(s) joeg joegEN gejaagd hebben 5 a
5 b DEMANDER vragen je demandai(s) vroeg vroegEN gevraagd hebben 5 b
           
6) AA - OE - A          
6 a FRAPPER slaan je frappai(s) sloeg sloegEN geslagen hebben 6 a
7) A - ING - A
7 a PENDRE hangen je pendais, pendis hing hingEN gehangen hebben 7 a
7 b ATTRAPER vangen j'attrapai(s) ving vingEN gevangen hebben 7 b
                     
temps primitifs   prétérit prétérit   participe passé  
infinitif FR infinitif NL exemples FR ik/je/hij/ze/u we/jullie/ze   auxiliaire
8) AA - ING - AA
8 a ALLER gaan j'allai(s) ging gingEN gegaan ZIJN 8 a
           
9) AA - O - AA            
9 a ETRE DEBOUT staan j'étais (je fus) debout stond stondEN gestaan hebben 9 a
           
10) AAI - OEI - AAI          
10 a SOUFFLER (vent) waaien il souffla(it) woei woeiEN gewaaid hebben 10 a
           
11) E - A - A          
11 a AVOIR hebben j'avais, j'eus had hadDEN gehad hebben 11 a
           
12) E - A - E          
12 a MANGER eten je mangeai(s) at atEN gegeten hebben 12 a
12 b GUERIR genezen je guérissais, guéris genas genaZEN genezen hebben + zijn 12 b
12 c DONNER geven je donnai(s) gaf gaVEN gegeven hebben 12 c
12 d LIRE lezen je lisais, je lus las laZEN gelezen hebben 12 d
12 e MESURER meten je mesurai(s) mat matEN gemeten hebben 12 e
12 f MARCHER treden je marchai(s) trad tradEN getreden hebben + zijn 12 f
12 g OUBLIER vergeten j'oubliai(s) vergat vergatEN vergeten hebben + zijn 12 g
           
13) E - A - O          
13 a BRISER breken je brisai(s) brak brakEN gebroken hebben + zijn 13 a
13 b PRENDRE nemen je prenais, pris nam namEN genomen hebben 13 b
13 c PARLER spreken je parlai(s) sprak sprakEN gesproken hebben 13 c
13 d VOLER (voleur) stelen il vola(it) stal stalEN gestolen hebben 13 d
           
14) E - Acht - Acht          
14 a APPORTER brengen j'apportai(s) bracht brachtEN gebracht hebben 14 a
14 b PENSER denken je pensai(s) dacht dachtEN gedacht hebben 14 b
15) E - EE - E
15 a S'APPELER heten je m'appelai(s) heette heetteN geheten hebben 15 a
temps primitifs   prétérit prétérit   participe passé  
infinitif FR infinitif NL exemples FR ik/je/hij/ze/u we/jullie/ze   auxiliaire
16) E - EE - O  
16 a VENGER wreken je vengeai(s) wreekte wreekteN gewroken hebben 16 a
           
17) E - EI - E          
17 a DIRE zeggen je disais, dis zei zeiDEN gezegd hebben 17 a
           
18) E - I - E          
18 a SAVOIR weten je savais, je sus wist  wistEN geweten hebben 18 a
           
19) E - IE - A          
19 a CRÉER scheppen je créai(s) schiep schiepEN geschapen hebben 19 a
           
20) E - IE - O          
20 a AIDER helpen j'aidai(s) hielp hielpEN geholpen hebben 20 a
20 b MOURIR sterven je mourais, mourus stierf stierVEN gestorven ZIJN 20 b
20 c JETER werpen je jetai(s) wierp wierpEN geworpen hebben 20 c
20 d EMBAUCHER werven j'embauchai(s) wierf wierVEN geworven hebben 20 d
20 e ERRER zwerven j'errai(s) zwierf zwierVEN gezworven hebben 20 e
21) E - O - O
21 a TRAIRE melken je trayai(s) molk molkEN gemolken hebben 21 a
21 b OFFRIR schenken j'offrais, offris schonk schonkEN geschonken hebben 21 b
21 c FONDRE smelten elle fond(a)it smolt smoltEN gesmolten hebben + zijn 21 c
21 d TOUCHER treffen je touchai(s) trof trofFEN getroffen hebben 21 d
21 e TIRER trekken je tirai(s) trok trokKEN getrokken hebben 21 e
21 f SE BATTRE vechten je me batt(a)is vocht vochtEN gevochten hebben 21 f
21 g ENVOYER zenden j'envoyai(s) zond  zondEN  gezonden hebben 21 g
21 h NAGER zwemmen je nageai(s) zwom zwomMEN gezwommen hebben + zijn 21 h
22) E - OE - O
22 a JURER zweren je jurai(s) zwoer zwoerEN gezworen hebben 22 a
temps primitifs   prétérit prétérit   participe passé  
infinitif FR infinitif NL exemples FR ik/je/hij/ze/u we/jullie/ze   auxiliaire
temps primitifs   prétérit prétérit   participe passé  
infinitif FR infinitif NL exemples FR ik/je/hij/ze/u we/jullie/ze   auxiliaire
23) E - OO - O
23 a RASER scheren je rasai(s) schoor schOrEN geschoren hebben 23 a
23 b PESER wegen je pesai(s) woog wOgEN gewogen hebben 23 b
           
24) EI - EI - EI          
24 a SEPARER scheiden je séparai(s) scheidde scheiddeN gescheiden hebben + zijn 24 a
           
25) I - A - E          
25 a PRIER (Dieu) bidden je priai(s) bad badEN gebeden hebben 25 a
25 b ETRE COUCHE liggen j'étais (je fus) couc lag lagEN gelegen hebben 25 b
25 c ETRE ASSIS zitten j'étais (je fus) assis zat zatEN gezeten hebben 25 c
           
26) I - O - O          
26 a COMMENCER beginnen je commençai(s) begon begonNEN begonnen hebben + zijn 26 a
26 b LIER binden je liai(s) bond bondEN gebonden hebben 26 b
26 c PRESSER dringen je pressai(s) drong drongEN gedrongen hebben + zijn 26 c
26 d BOIRE drinken je buvais, je bus dronk dronkEN gedronken hebben 26 d
26 e GRIMPER klimmen je grimpai(s) klom klomMEN geklommen hebben + zijn 26 e
26 f S'EFFRAYER schrikken je m'effrayai(s) schrok schrokKEN geschrokken hebben + zijn 26 f
26 g SAUTER springen je sautai(s) sprong sprongEN gesprongen hebben + zijn 26 g
26 h PUER stinken il pua(it) stonk stonkEN gestonken hebben 26 h
26 i TROUVER vinden je trouvai(s) vond vondEN gevonden hebben 26 i
26 j GAGNER winnen je gagnai(s) won  wonNEN  gewonnen hebben 26 j
26 k CHANTER zingen je chantai(s) zong zongEN gezongen hebben 26 k
26 l COULER(bateau) zinken il coula(it) zonk zonkEN gezonken ZIJN 26 l
           
27) IE - A - IE          
27 a VOIR zien je voyais, je vis zag zagEN gezien hebben 27 a
28) IE - OO - O
28 a OFFRIR bieden j'offrais, offris bood  bOdEN  geboden hebben 28 a
28 b VERSER gieten je versai(s) goot gOtEN gegoten hebben 28 b
28 c CHOISIR kiezen je choisis(sais) koos koZEN gekozen hebben 28 c
28 d MENTIR liegen je mentais, mentis loog lOgEN gelogen hebben 28 d
temps primitifs   prétérit prétérit   participe passé  
infinitif FR infinitif NL exemples FR ik/je/hij/ze/u we/jullie/ze   auxiliaire
IE - OO - O (suite)
28 e TIRER (arme) schieten je tirai(s) schoot schOtEN geschoten hebben + zijn 28 e
28 f CHAGRINER verdrieten je chagrinai(s) verdroot verdrOtEN verdroten hebben 28 f
28 g PERDRE verliezen je perdais, perdis verloor verlOrEN verloren hebben 28 g
28 h VOLER (oiseau) vliegen je volai(s) vloog vlOgEN gevlogen hebben + zijn 28 h
28 i GELER vriezen je gelai(s) vroor vrOrEN gevroren hebben 28 i
29) IJ - EE - E          
29 a MORDRE bijten je mordais, mordis beet bEtEN gebeten hebben 29 a
29 b PARAÎTRE blijken je paraissais, parus bleek blEkEN gebleken ZIJN 29 b
29 c RESTER blijven je restai(s) bleef blEVEN gebleven ZIJN 29 c
29 d GLISSER glijden je glissai(s) gleed glEdEN gegleden hebben + zijn 29 d
29 e SAISIR grijpen je saisis(sais) greep grEpEN gegrepen hebben 29 e
29 f REGARDER kijken je regardai(s) keek kEkEN gekeken hebben 29 f
29 g RECEVOIR krijgen je recevais, reçus kreeg krEgEN gekregen hebben 29 g
29 h SOUFFRIR lijden je souffr(a)is leed lEdEN geleden hebben 29 h
29 i SEMBLER lijken je semblai(s) leek lEkEN geleken hebben 29 i
29 j ROULER rijden je roulai(s) reed rEdEN gereden hebben + zijn 29 j
29 k BRILLER (soleil) schijnen je brillai(s) scheen schEnEN geschenen hebben 29 k
29 l ECRIRE schrijven j'écriv(a)is schreef schrEVEN geschreven hebben 29 l
29 m LANCER smijten je lançai(s) smeet smEtEN gesmeten hebben 29 m
29 n COUPER snijden je coupai(s) sneed snEdEN gesneden hebben 29 n
29 o REGRETTER spijten je regrettai(s) speet spEtEN gespeten hebben 29 o
29 p MONTER stijgen je montai(s) steeg stEgEN gestegen ZIJN 29 p
29 q LUTTER strijden je luttai(s) streed strEdEN gestreden hebben 29 q
29 r REPASSER strijken je repassai(s) streek strEkEN gestreken hebben + zijn 29 r
29 s DISPARAÎTRE verdwijnen je disparaissais verdween verdwEnEN verdwenen ZIJN 29 s
29 t MONTRER wijzen je montrai(s) wees wEZEN gewezen hebben 29 t
29 u SE TAIRE zwijgen je me taisais, tus zweeg zwEgEN gezwegen hebben 29 u
30) O - A - O          
30 a VENIR komen je venais, je vins kwam kwamEN gekomen ZIJN 30 a
31) O - E - O          
31 a DEVENIR worden je devenais, devins werd werdEN geworden ZIJN 31 a
temps primitifs   prétérit prétérit   participe passé  
infinitif FR infinitif NL exemples FR ik/je/hij/ze/u we/jullie/ze   auxiliaire
32) O - IE - O
32 a MARCHER lopen je marchai(s) liep liepEN gelopen hebben + zijn 32 a
           
33) O - Ocht - Ocht          
33 a ACHETER kopen j'achetai(s) kocht kochtEN gekocht hebben 33 a
33 b POUVOIR mogen je pouvais, je pus mocht mochtEN gemocht hebben 33 b
           
34) OE - Ocht - Ocht          
34 a CHERCHER zoeken je cherchai(s) zocht zochtEN gezocht hebben 34 a
           
35) OE - EE - AA          
35 a FAIRE doen je faisais, je fis deed dEdEN gedaan hebben 35 a
           
36) OE - IE - OE          
36 a CRIER roepen je criai(s) riep riepEN geroepen hebben 36 a
           
37) OE - 0Est - OE          
37 a DEVOIR moeten je devais, je dus moest moestEN gemoeten hebben 37 a
           
38) OU - IE - OU          
38 a TENIR houden je tenais, je tins hield hieldEN gehouden hebben 38 a
39) OU - OU - OU          
39 a PLIER vouwen je pliai(s) vouwde vouwdeN gevouwen hebben 39 a
39 b SALER zouten je salai(s) zoutte zoutteN gezouten hebben 39 b
40) UI - OO - O
40 a COURBER buigen je courbai(s) boog bOgEN gebogen hebben 40 a
40 b PLONGER duiken je plongeai(s) dook dOkEN gedoken hebben + zijn 40 b
40 c SIFFLER fluiten je sifflai(s) floot flOtEN gefloten hebben 40 c
40 d RAMPER kruipen je rampai(s) kroop krOpEN gekropen hebben + zijn 40 d
40 e SENTIR ruiken je sentais, sentis rook rOkEN geroken hebben 40 e
40 f FERMER sluiten je fermai(s) sloot slOtEN gesloten hebben 40 f
40 g SUCER zuigen je suçai(s) zoog zOgEN gezogen hebben 40 g

Sous-menu

Liens rapides

Recherche

Entrez un mot clé:

Rubrique hasard

NDLS Pour Enfants

Image au hasard

Image au hasard
tiré de l'oeuvre de Devignez

Crédits